Column: Dramaking
Dramaking
Het zal wel een morbide trekje van mij zijn, en ja: natuurlijk geniet ook ik van de fenomenale races van Femke Kok, Jens van ’t Wout, Xandra Velzeboer en Jutta Leerdam. Ik kan een fantastische combinatie of een miraculeuze keepersredding bij ijshockey zéér waarderen, evenals een stilistisch perfect uitgevoerde sprong bij het schansspringen. Maar toch: het meest interessante is het toch altijd weer, als het mislukt.
Jarenlang heb ik gevonden dat sport maar om één ding draait: winnen. Tegen zo ongeveer elke prijs. Zo heb ik zelf sport altijd – op mijn relatief bescheiden niveau – bedreven, zo heb ik ook altijd gevonden dat anderen het moesten beleven. En de bedoeling van wedstrijdsport is natuurlijk ook winnen. Maar vaak hangen de mooiste verhalen niet aan een juichende schaatsster, een blije skiër of een uitgelaten curlinger (zeg je dat zo?). Die hebben toch vaker te maken met het gedrag van mensen bij teleurstelling.
Wat dat aangaat zit je bij de familie Wennemars altijd gebeiteld.
De naam Wennemars staat garant voor turbulentie. Er is never a dull moment. Ze winnen met veel grandeur, en als ze verliezen is er altijd iets aan de hand en gaat de reactie over de top. Ze vallen, raken een blokje, starten te vroeg of te laat, worden van de baan gekegeld, vergeten waar de finishlijn is, schaatsen rechtsom in plaats van linksom, het is zo gek niet te bedenken. Voor de ouderen onder ons, ze zijn een soort Hilbert van der Duim in het kwadraat. Alleen deed Hilbert (‘Hilbert, jongen, je moet nog een ronde!’) na afloop heel onderkoeld, in tegenstelling tot de Wennemarsen.
Aan het verlies (en aan de winst) van een Wennemars zit altijd een heel verhaal. Zelfs als ze ook maar lijken te winnen – maar dat nog allerminst zeker is, zoals deze week op de 1500 meter van Joep – gebeurt er al van alles. Vooral vader Erben is dan in alle staten. Die springt door de schaatshal alsof hij veren onder zijn schoenen heeft, grijpt naar zijn hoofd, kijkt uit zijn ogen alsof hij 27 liter Red Bull heeft gedronken, schreeuwt het uit, grijpt mensen beet die hij van zijn leven nog nooit gezien heeft, drukt ze plat, vernielt in het proces brillen en weet een minuut later, als de ergste emotie een paar procent is gaan liggen, niet in welke woorden hij zich moet verontschuldigen. En Joep verliest uiteindelijk niet gewoon – zoals talloze schaatsers vierde worden en dan zeggen: alles eraan gedaan, die anderen waren beter – nee: hij is ‘in een kutfilm beland’. En het mooiste: ‘Alles wat ik meemaak, gaat zich ooit uitbetalen. Of de mensen nou willen of niet.’ Het doet je vermoeden dat de hele wereld tegen Joep Wennemars is. Ongetwijfeld gevoed door die o zo goedbedoelende en liefdevolle, maar overextatische en hypersensitieve dramaking: zijn vader. Het is merkwaardig en soms meer dan dat, maar ik geniet ervan.
Joep had alle redenen om geweldig kwaad te zijn op die Chinese kluns die hem op de 1000 meter geen voorrang gaf, en vooral op de ISU die hem nauwelijks de tijd gunde om fysiek enigszins te herstellen en een iets eerlijkere kans te hebben tijdens zijn re-skate. Op de 500 meter bracht hij er weinig van terecht, de 1500 meter schaatste hij groots en had hij een medaille verdiend. Er was één probleem: er waren er drie sneller. Dat is het mooie aan sporten waarin het om tijd gaat en een jurybeoordeling geen rol speelt: je wint nooit onverdiend, je verliest nooit onverdiend.
Ik hoop oprecht dat Joep Wennemars een prachtige carrière heeft, en dat hij nog veel zal winnen. Het is hem van harte gegund. Maar alsjeblieft, laten er soms ook uitglijders, verkeerde wissels, diskwalificaties of andere tegenslag tussen blijven zitten. En laat vader Erben totaal overstuur raken, de op drift geraakte circusartiest uithangen en brillen van nietsvermoedende vrijwilligers vermorzelen. Gewoon, voor het verhaal.
Het zal wel een morbide trekje van mij zijn, en ja: natuurlijk geniet ook ik van de fenomenale races van Femke Kok, Jens van ’t Wout, Xandra Velzeboer en Jutta Leerdam. Ik kan een fantastische combinatie of een miraculeuze keepersredding bij ijshockey zéér waarderen, evenals een stilistisch perfect uitgevoerde sprong bij het schansspringen. Maar toch: het meest interessante is het toch altijd weer, als het mislukt.
Jarenlang heb ik gevonden dat sport maar om één ding draait: winnen. Tegen zo ongeveer elke prijs. Zo heb ik zelf sport altijd – op mijn relatief bescheiden niveau – bedreven, zo heb ik ook altijd gevonden dat anderen het moesten beleven. En de bedoeling van wedstrijdsport is natuurlijk ook winnen. Maar vaak hangen de mooiste verhalen niet aan een juichende schaatsster, een blije skiër of een uitgelaten curlinger (zeg je dat zo?). Die hebben toch vaker te maken met het gedrag van mensen bij teleurstelling.
Wat dat aangaat zit je bij de familie Wennemars altijd gebeiteld.
De naam Wennemars staat garant voor turbulentie. Er is never a dull moment. Ze winnen met veel grandeur, en als ze verliezen is er altijd iets aan de hand en gaat de reactie over de top. Ze vallen, raken een blokje, starten te vroeg of te laat, worden van de baan gekegeld, vergeten waar de finishlijn is, schaatsen rechtsom in plaats van linksom, het is zo gek niet te bedenken. Voor de ouderen onder ons, ze zijn een soort Hilbert van der Duim in het kwadraat. Alleen deed Hilbert (‘Hilbert, jongen, je moet nog een ronde!’) na afloop heel onderkoeld, in tegenstelling tot de Wennemarsen.
Aan het verlies (en aan de winst) van een Wennemars zit altijd een heel verhaal. Zelfs als ze ook maar lijken te winnen – maar dat nog allerminst zeker is, zoals deze week op de 1500 meter van Joep – gebeurt er al van alles. Vooral vader Erben is dan in alle staten. Die springt door de schaatshal alsof hij veren onder zijn schoenen heeft, grijpt naar zijn hoofd, kijkt uit zijn ogen alsof hij 27 liter Red Bull heeft gedronken, schreeuwt het uit, grijpt mensen beet die hij van zijn leven nog nooit gezien heeft, drukt ze plat, vernielt in het proces brillen en weet een minuut later, als de ergste emotie een paar procent is gaan liggen, niet in welke woorden hij zich moet verontschuldigen. En Joep verliest uiteindelijk niet gewoon – zoals talloze schaatsers vierde worden en dan zeggen: alles eraan gedaan, die anderen waren beter – nee: hij is ‘in een kutfilm beland’. En het mooiste: ‘Alles wat ik meemaak, gaat zich ooit uitbetalen. Of de mensen nou willen of niet.’ Het doet je vermoeden dat de hele wereld tegen Joep Wennemars is. Ongetwijfeld gevoed door die o zo goedbedoelende en liefdevolle, maar overextatische en hypersensitieve dramaking: zijn vader. Het is merkwaardig en soms meer dan dat, maar ik geniet ervan.
Joep had alle redenen om geweldig kwaad te zijn op die Chinese kluns die hem op de 1000 meter geen voorrang gaf, en vooral op de ISU die hem nauwelijks de tijd gunde om fysiek enigszins te herstellen en een iets eerlijkere kans te hebben tijdens zijn re-skate. Op de 500 meter bracht hij er weinig van terecht, de 1500 meter schaatste hij groots en had hij een medaille verdiend. Er was één probleem: er waren er drie sneller. Dat is het mooie aan sporten waarin het om tijd gaat en een jurybeoordeling geen rol speelt: je wint nooit onverdiend, je verliest nooit onverdiend.
Ik hoop oprecht dat Joep Wennemars een prachtige carrière heeft, en dat hij nog veel zal winnen. Het is hem van harte gegund. Maar alsjeblieft, laten er soms ook uitglijders, verkeerde wissels, diskwalificaties of andere tegenslag tussen blijven zitten. En laat vader Erben totaal overstuur raken, de op drift geraakte circusartiest uithangen en brillen van nietsvermoedende vrijwilligers vermorzelen. Gewoon, voor het verhaal.





